Vergroting kelder met 1/3e deel is geen "geringe wijziging"

Belanghebbende heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een woonhuis met kelder. De heffingsambtenaar van de gemeente Cranendonck heeft hiervoor een aanslag leges opgelegd welke na bezwaar is verminderd. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld aangezien hij van mening was dat de bouwkosten van de kelder geen onderdeel uitmaakten van de heffingsgrondslag. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard (AWB 12/1697). De oorspronkelijk gecontracteerde aannemer is voor aanvang van de bouw gefailleerd. Als gevolg daarvan is belanghebbende op zoek gegaan naar een nieuwe aannemer. Omdat de potentiële aannemers volgens belanghebbende niet binnen de oorspronkelijke budgettering konden bouwen, is besloten tot wijzigingen van het bouwplan. Deze wijzigingen omvatten de toepassing van een stalenspant-constructie in plaats van een constructie van dragend metselwerk, vergroting en wijziging van de situering van de kelder alsmede een verkleining van de aanbouw (vervallen bijkeuken). De kelder besloeg in het oorspronkelijke plan 28,2% van het grondoppervlak, in het gewijzigde plan was dat 38,6%. Naar aanleiding van de wijzingen van het bouwplan heeft belanghebbende een nieuwe/gewijzigde omgevingsvergunning aangevraagd. Hiervoor is een aanslag leges opgelegd. Het door belanghebbende daartegen ingestelde bezwaar is gegrond verklaard omdat was uitgegaan van te hoge bouwkosten. Belanghebbende doet een beroep op een bepaling in de Tarieventabel waarin staat dat voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project, leges geheven worden over de meerkosten van de bouwkosten.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een “geringe wijziging” de hoogte van de meerkosten niet beslissend is, maar de aard van de wijziging. Uit de stukken blijkt dat de wijziging in dit geval vooral betrekking had op de fundering van de woning: de kelder die onder de woning was gepland, werd immers gedeeltelijk verplaatst en met een factor van ruim 1/3e vergroot. Daardoor is de fundering van de te bouwen woning veranderd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat geen geringe wijziging. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan hem een toezegging is gedaan dat de legesheffing beperkt zou blijven tot de meerkosten van het gewijzigde bouwplan ten opzichte van het oorspronkelijke plan, noch dat op enige andere wijze bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen daarvoor is gewekt. Uit de stukken blijkt wel dat de ambtenaar heeft beloofd zich in te zetten voor beperking van de legesheffing maar niet dat zij daarover een toezegging heeft gedaan of dat belanghebbende in redelijkheid kon menen dat een toezegging was gedaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en heeft hierbij mede in zijn oordeel betrokken dat, naar de omstandigheden beoordeeld, redelijkerwijs niet meer kan worden gesproken van hetzelfde bouwplan, maar dat het gewijzigde bouwplan als een nieuw bouwplan moet worden aangemerkt. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.